Zuur, Neutraal en Base
Stoffen kunnen zuur, neutraal of basisch zijn afhankelijk van hun pH-waarde. Deze eigenschappen bepalen hoe stoffen met elkaar en met hun omgeving reageren.
Zuur
Een stof is zuur als de pH lager is dan 7. Zuren geven waterstofionen (H⁺) af wanneer ze oplossen in water. Hoe meer H⁺-ionen, hoe sterker het zuur. Voorbeelden:
- Citroensap: Bevat citroenzuur en heeft een pH van ongeveer 2.
- Azijn: Bevat azijnzuur en heeft een pH van ongeveer 3.
Neutraal
Stoffen met een pH van 7 zijn neutraal. Ze geven geen H⁺- of OH⁻-ionen af in water. Voorbeelden:
- Zuiver water: Heeft een pH van 7 en is noch zuur noch basisch.
- Oplossingen van sommige zouten: Kunnen neutraal zijn in water.
Base
Een stof is basisch als de pH hoger is dan 7. Basen geven hydroxide-ionen (OH⁻) af in water. Hoe meer OH⁻-ionen, hoe sterker de base. Voorbeelden:
- Baking soda: Een milde base met een pH rond 9.
- Ammoniak: Een sterkere base met een pH rond 11.

Waarom is dit belangrijk?
Het begrijpen van zuur, neutraal en basisch is nuttig in het dagelijks leven en in de wetenschap. Bijvoorbeeld:
- Koken: De zuurgraad van ingrediënten beïnvloedt smaak en textuur.
- Geneeskunde: De pH van ons maagzuur is belangrijk voor de spijsvertering.
- Milieu: Zure regen (lage pH) kan schadelijk zijn voor planten en dieren.